Samen werken aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving?
- BezoekadresKelvinbaan 40 (2e etage), 3439 MT Nieuwegein
- PostadresPostbus 1475, 3430 BL Nieuwegein
- Telefoon030-2311377
- E-mailinfo@lbpsight.nl
Dit artikel verscheen eerder in het digitale magazine van Bouwwereld – pagina 50-53.
11 november 2025
Daglicht is een vanzelfsprekend onderdeel van onze leefomgeving, maar in de bouwpraktijk blijkt het vaak lastig te realiseren. Ontwerpers, opdrachtgevers en beleidsmakers zoeken naar houvast: wat is voldoende daglicht, en hoe toets je dat? De Europese daglichtnorm NEN-EN 17037 biedt nieuwe inzichten, maar roept ook vragen op. In dit artikel verkennen we wat de Europese daglichtnorm betekent voor de Nederlandse bouwpraktijk.
NEN-EN 17037 is ontwikkeld om de beoordeling van daglichttoetreding in gebouwen te harmoniseren. Waar de huidige methode werkt met een handberekening op basis van de hoeveelheid glas in de gevel (NEN 2057), biedt de Europese norm een realistischer benadering. Op basis van simulaties en meetbare prestaties geeft NEN-EN 17037 beter inzicht in hoe daglicht zich daadwerkelijk gedraagt in een ruimte. Ontwerpers krijgen zo handvatten om gerichter te sturen op daglichtkwaliteit, met aandacht voor uitzicht, bescherming tegen verblinding en bezonning.
De norm beschouwt daglicht als primaire lichtbron in ruimtes met daglichtopeningen. Ze onderstreept het belang van daglicht voor energiebesparing, natuurlijke kleurweergave, variatie door dag en seizoen, uitzicht, psychologisch welzijn en directe zonlichttoetreding in onder meer woningen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.
Voor ontwerpers biedt NEN-EN 17037 praktische handvatten, onder andere via richtwaarden voor daglichtfactoren. Voor Nederland wordt een minimale daglichtfactor van 2,1% aanbevolen over 50% van de ruimte – overeenkomend met 300 lux gedurende 50% van het jaar. Waar deze grenswaarde op gebaseerd is, blijft echter onduidelijk. Is het een richtwaarde voor comfort, een energetische afweging, gerelateerd aan gezondheid, of een pragmatische richtlijn?
In het Bbl zijn de daglichteisen onder afdeling 4.3 Gezondheid opgenomen. Leggen we de richtwaarden naast NEN-EN 12464-1 (verlichting van werkruimten), dan biedt de daglichtnorm een basisniveau waarmee visuele taken gedurende ongeveer de helft van het jaar met daglicht kunnen worden uitgevoerd.
Functioneel gebruik versus comfort en gezondheid
Hoe daglicht functioneert in een gebouw, hangt sterk af van het gebruik, het type ruimte en de behoeften van gebruikers. NEN-EN 17037 zegt weinig over de achterliggende keuzes: waarom bepaalde eisen gelden, of wat zwaarder zou moeten wegen – daglichttoetreding, zoninstraling, verblinding of uitzicht. Of het nu gaat om gezondheid, comfort of energiebesparing: alles lijkt even belangrijk en voor iedereen van toepassing. Maar is dat wel zo? In kantoren maakt daglicht bijvoorbeeld weinig verschil voor het energiegebruik, omdat kunstlicht daar meestal toch aanstaat. In woningen en zorggebouwen speelt zonlicht juist een grote rol in het welzijn van bewoners. Eigenlijk zou je dus maatwerk per gebouwtype verwachten – iets wat in de praktijk nog niet vanzelfsprekend is en om verdere onderbouwing vraagt.
De vraag is: hoe vertaal je voor NEN-EN 17037 concrete, haalbare eisen naar de Nederlandse bouwpraktijk? Op dit moment zijn er twee ontwikkelingen die laten zien waar het wringt. Enerzijds is er de mogelijke implementatie van NEN-EN 17037 in de Nederlandse regelgeving. Anderzijds speelt de toepassing van deze norm in programma’s van eisen (PvE’s) en duurzaamheidslabels.
Regelgeving: implementatie in het Bbl
Er ligt een voorstel om NEN-EN 17037 op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Tegelijkertijd stelt het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (STOER) de vraag of dat wel wenselijk is, vanwege mogelijke extra kosten. In hoeverre er sprake is van meerkosten hangt af van hoe de overstap naar NEN-EN 17037 wordt aangepakt.
NEN-EN 17037 biedt in elk geval meer duidelijkheid over de fysische kant van daglichttoetreding. Uit onderzoek van DGMR (in opdracht van NEN) blijkt echter dat het halen van de aanbeveling uit bijlage A van de norm – een daglichtfactor van minimaal 2,1% over 50% van de ruimte – in de praktijk vaak niet haalbaar is. Daarom stelt DGMR voor om voor woningen een eis van 1,0% aan te houden.
Dat een daglichtfactor van 1,0% vaak al tot uitdagingen leidt, blijkt uit vervolgonderzoek van LBP|SIGHT naar eenzijdig georiënteerde woningen. Vooral diepere ruimten en ruimten met belemmeringen zijn extra gevoelig voor verschillen tussen de oude en nieuwe rekenmethode. Ondiepe ruimten scoren onder NEN-EN 17037 vaak beter, maar diepere ruimten voldoen vaak niet aan de gestelde richtwaarden.
Een woning met een diepte van 6 meter wordt volgens NEN-EN 17037 als ‘onvoldoende’ beoordeeld bij een daglichtfactor van 1%, terwijl diezelfde ruimte onder de huidige norm ruim voldoet. Het omslagpunt – het moment waarop NEN-EN 17037 ongunstiger uitpakt dan de huidige methode – hangt sterk af van de situatie. Bij een onbelemmerde, vrijstaande woning ligt dat punt rond de 5 meter diepte, maar in stedelijke situaties, waar vaak belemmeringen voor daglicht voorkomen, verschuift het al snel naar 3 meter of minder. In die gevallen voldoen veel eenzijdig georiënteerde appartementen niet meer aan de eis van minimaal 1% daglichtfactor over 50% van de ruimte. Om hieraan te voldoen zijn vaak ontwerpaanpassingen nodig, zoals minder diepe woningen met een grotere verhouding tussen gevel en vloer, en/of appartementen met een grotere vertrekhoogte en hogere ramen. Dit staat haaks op het beleid van de overheid om veel betaalbare woningen te realiseren.
Beleidsneutraliteit: logisch, maar niet vanzelfsprekend
Een belangrijk uitgangspunt in de discussie rond de implementatie is beleidsneutraliteit: wat nu voldoet, moet straks ook blijven voldoen. Houden we dit aan, dan blijkt uit onderzoek dat voor woningen een daglichtfactor van slechts circa 0,2% als eis ingevoerd zou moeten worden. Dat maakt de invoering complex: het stellen van een te lage eis leidt weer tot versoepeling in andere situaties waarin NEN-EN 17037 juist tot gunstigere resultaten leidt. Aan de andere kant kunnen ontwerpen niet van de ene op de andere dag worden aangepast om aan nieuwe daglichteisen te voldoen; hiervoor is tijd nodig. De zorgen die het programma STOER uitspreekt zijn dus begrijpelijk. Tegelijkertijd biedt invoering van NEN-EN 17037 wel een betere fysische benadering en betere vergelijkbaarheid van daglichttoetreding in gebouwen.
Beleidsneutraliteit vraagt daarom om een zorgvuldige afweging. Welke afwijkingen accepteren we, en waar trekken we de grens? Dit vraagt om onderbouwde keuzes: welke factoren zijn minimaal nodig voor een gezond daglichtklimaat? Daarbij lijkt het relevant om niet alleen naar daglichtvoorzieningen te kijken, maar ook naar aspecten als uitzicht, bescherming tegen verblinding en bezonning.
Het roept de vraag op: is wat we nu bouwen voldoende voor een gezonde daglichttoetreding? Zijn ontwerpaanpassingen nodig, of zijn er andere factoren die in de huidige bouwpraktijk bepalend zijn voor de ervaring en het welzijn van gebruikers?
PvE’s en labels: ambitie versus realiteit
Ook in programma’s van eisen (PvE’s) en duurzaamheidslabels zoals Frisse Scholen en BREEAM wordt NEN-EN 17037 steeds vaker toegepast. In de basis is dat positief: de norm maakt inzichtelijk hoeveel daglicht gebruikers daadwerkelijk ervaren. Maar in de praktijk levert de toepassing regelmatig knelpunten op.
Richtwaarden uit informatieve bijlagen worden vaak één-op-één overgenomen als harde toetsingscriteria, zonder dat duidelijk is waarvoor ze precies bedoeld zijn of wat het effect is op het gebruik van de ruimte. Leveren deze criteria daadwerkelijk het comfort dat we met daglicht beogen? Uit onderzoek blijkt dat deze richtwaarden niet altijd goed aansluiten bij de huidige bouwpraktijk. Het gevolg: daglichteisen worden al snel als “niet haalbaar” terzijde geschoven. En dat is zonde, want zo verdwijnt daglicht uit het ontwerp, terwijl het juist een waardevolle en betekenisvolle ontwerpfactor kan zijn.
Voor PvE’s en labels is het daarom van belang om realistische eisen te formuleren. Een minimumniveau moet haalbaar zijn, en hogere niveaus moeten daadwerkelijk leiden tot betere ontwerpen. Nu is het minimum vaak al het maximaal haalbare – en zelfs dat lukt niet altijd.
In de discussie over daglichttoetreding ligt de nadruk vaak op gezondheid, terwijl veel eisen in de praktijk vooral lijken te zijn ingegeven door energiebesparing. Tegelijkertijd blijkt dat in veel gebouwen kunstlicht blijft branden, ook wanneer er voldoende daglicht beschikbaar is. Dat roept de vraag op hoe zinvol sommige eisen werkelijk zijn.
Onderzoek uit 1989 (Meerdink, G., Rozendaal, J.A. & Witteveen, G.J. (1989). Daglicht en uitzicht in kantoorruimten. Arbeidsomstandigheden, nr. 5. TNO) naar de beleving van daglicht en uitzicht in kantoorgebouwen laat zien dat mensen daglicht al als prettig ervaren bij relatief lage daglichtniveaus. Dit onderzoek kijkt naar de gemiddelde daglichtfactor over de hele ruimte. Een daglichtfactor tussen de 0,5% en 1% wordt als onaangenaam ervaren, maar vanaf 1% is de waardering neutraal – en neemt het comfort nauwelijks nog toe bij hogere waarden.
Een richtwaarde van minimaal 2,1% over 50% van de ruimte ligt daar dus ver boven. Dit roept de vraag op of deze richtwaarde vooral is bedoeld voor energiebesparing, of dat deze ook noodzakelijk is voor comfort of gezondheid.
NEN-EN 17037 biedt een goed vertrekpunt, maar vraagt om aanvullend onderzoek naar wat in de Nederlandse context als werkbaar én gezond of comfortabel kan worden beschouwd. Alleen dan kunnen we daglicht serieus nemen als volwaardige ontwerpparameter.
Daarvoor is het belangrijk beter te begrijpen wat daglicht precies betekent voor gezondheid en comfort. Kunnen we dat scherper definiëren? En moeten we niet breder kijken – naar de combinatie van daglichttoetreding, zoninstraling, uitzicht en bescherming tegen verblinding?
Begin met een realistische ondergrens en geef aanbevelingen voor hogere niveaus die in de praktijk haalbaar zijn voor specifieke gebouwsituaties. Zo blijft daglicht een haalbare en waardevolle ontwerpkeuze – niet iets waar je omheen moet werken, maar een factor waarmee je het ontwerp daadwerkelijk kunt versterken.
Daglicht is een ontwerpfactor die, mits goed toegepast, bijdraagt aan comfort en gezondheid. NEN-EN 17037 biedt hiervoor een bruikbaar kader, maar alleen als deze is afgestemd op context en gebruik.
Wil je verder praten over daglichttoetreding, of samen bekijken hoe je daglicht op een haalbare en doordachte manier kunt meenemen in jouw project? Bij LBP|SIGHT denken we graag met je mee. Neem gerust contact op met Sierd Tilma, adviseur bij LBP|SIGHT.