Samen werken aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving?
- BezoekadresKelvinbaan 40 (2e etage), 3439 MT Nieuwegein
- PostadresPostbus 1475, 3430 BL Nieuwegein
- Telefoon030-2311377
- E-mailinfo@lbpsight.nl
Dit artikel verscheen eerder in Bouwwereld.
18 augustus 2025
In een reeks opiniestukken onderzoekt advies- en ingenieursbureau LBP|SIGHT de transitie naar duurzaam materiaalgebruik in de bouw. Het bureau verzamelt dagelijks kennis en ervaring over duurzaam materiaalgebruik vanuit zowel de bouw-, leveranciers- en grondstoffensector. Met deze inzichten wil LBP|SIGHT bijdragen aan de verduurzaming van de bouwsector.
De bouwsector moet duurzamer, maar voor de beoordeling van duurzaamheid bestaan meerdere meetmethoden, elk met een eigen invalshoek. In dit artikel legt David van Nunen, adviseur duurzaamheid, vier methoden uit: MilieuPrestatie Gebouwen (MPG), Whole Life Carbon (WLC), Milieu- en Energieprestatie Gebouwen (MEPG) en Paris Proof Indicator (PPI). Hij legt de verschillen en overeenkomsten uit, zodat deze methoden op de juiste manier en in samenhang kunnen worden toegepast.
De wettelijke status van deze vier methoden varieert. MPG is wettelijk verplicht en wordt actief toegepast door bouwpartijen. WLC is nu vrijwillig, maar wordt vanaf 2028 verplicht onder de Europese EPDB IV-richtlijn. MEPG en PPI zijn aanvullende ‘vrijwillige’ methoden.
Hoewel deze methoden dezelfde data gebruiken, verschillen ze in scope en focus. Dit maakt het voor opdrachtgevers, bouwende partijen en leveranciers lastig om te bepalen hoe ze moeten worden ingezet. In de praktijk zullen MPG, WLC, MEPG en PPI vaak gecombineerd worden, maar de toepassing leidt tot verwarring. Kijk je naar milieu-impact of naar CO₂-uitstoot? Neem je recycling en hergebruik integraal mee of evalueer je die apart?
Naast de wettelijke status variëren de methoden in hun benadering van de levenscyclus en impact van een gebouw. Ze richten zich op verschillende fasen: de productiefase, de bouwfase, de gebruiksfase, de sloop- en verwerkingsfase, en alles wat buiten de levenscyclus van het bouwwerk valt. Daarbij evalueren ze de milieu-impact of de milieu- en energie-impact. MPG en MEPG gebruiken de MilieuKostenIndicator (MKI), uitgedrukt in euro’s milieukosten per vierkante meter per jaar, terwijl WLC en PPI de effecten meten op klimaatverandering in kilogram CO₂-equivalent per vierkante meter per jaar. Om het nog wat verwarrender te maken, gaat het oppervlak bij de MPG, MEPG en PPI over het bruto vloeroppervlak (BVO), terwijl de WLC het gebruiksoppervlak (GO) hanteert.
In onderstaande afbeelding uit de Bepalingsmethode ‘Milieuprestatie Bouwwerken’ versie 1.2 van de stichting Nationale Milieudatabase (NMD) worden de focuspunten van elke methode schematisch weergegeven door onze markeringen.
Elke methode heeft zijn eigen focuspunten.
Hieronder bespreken we per methode de focus, toepassing en sterke punten, inclusief hoe ze elkaar aanvullen voor een volledige evaluatie van duurzaamheid.
De MPG meet de milieu-impact van een gebouw gedurende de gehele levenscyclus, inclusief de voordelen van recycling en hergebruik na de levenscyclus van het gebouw. De score wordt weergegeven in de MilieuKostenIndicator (MKI) per vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar. De MKI, en daarmee de MPG, is opgebouwd uit een weging van verschillende milieu-impactcategorieën, zoals klimaatverandering, vermesting en toxiciteit. Deze indicatoren helpen bij het beoordelen van de milieubelasting van bouwmaterialen en -processen.
Het integraal meenemen van de voordelen van recycling en hergebruik in de beoordeling zorgt voor een waardering van circulaire bouw. Een voorbeeld hiervan is dat door gebouwen te maken met demontabele onderdelen met een lange levensduur, de herbruikbaarheid aan het einde van de gebouwlevensduur kan worden verhoogd. Deze potentie wordt in de MPG-score als baten (voordelen) in module D (zie afbeelding) weergegeven.
Milieu- en Energieprestatie Gebouwen (MEPG) beoordeelt de volledige levenscyclus van een gebouw op zowel milieu-impact als energieprestaties. Dit betekent dat het de effecten van de gebruikte materialen en het energieverbruik tijdens de gebruiksfase integreert. De score wordt uitgedrukt in MilieuKostenIndicator (MKI) per vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar. Net als MPG richt MEPG zich op het evalueren van duurzaamheid over de hele levenscyclus.
MEPG onderscheidt zich van MPG door de toevoeging van het energiegebruik tijdens de gebruiksfase. Een voorbeeld: in de MPG zorgen zonnepanelen voor een hogere milieulast door de toegepaste materialen. Dit betekent dat er meer milieueffecten zijn in de productiefase. In de MEPG wordt dit gecompenseerd doordat de zonnepanelen in module B6 (zie afbeelding) zorgen voor een lagere hoeveelheid toegeleverde elektriciteit. Met andere woorden, de elektriciteit die de zonnepanelen opwekken, vermindert de hoeveelheid elektriciteit die je van het net moet afnemen, wat uiteindelijk de milieulast verlaagt. Dit voorbeeld laat zien dat je de MEPG kunt gebruiken voor integrale afwegingen in milieuprestatie en energieprestatie.
Whole Life Carbon (WLC) meet de klimaatimpact van de gebruikte materialen in een gebouw en het energiegebruik tijdens de gebruiksfase, uitgedrukt in kilogram CO₂-equivalent per vierkante meter gebruiksoppervlak per jaar. WLC houdt rekening met de gehele levenscyclus van een gebouw. Voordelen uit recycling, hergebruik en teruglevering van energie worden apart weergegeven. Hierdoor is het mogelijk om de impact te evalueren met of zonder circulaire potentie uit hergebruik, recycling en geëxporteerde energie.
Neem bijvoorbeeld een gebouw dat extra goed is geïsoleerd. De toepassing van meer isolatiemateriaal zorgt voor wat meer milieulast in de productiefase van het gebouw. Door de hoge isolatiewaarde is de energiebehoefte (module B6 in de afbeelding) echter lager. Hierdoor hoeft er minder energie toegeleverd te worden, wat zorgt voor een lagere milieulast. Stel dat de zonnepanelen op het gebouw meer energie opwekken dan het gebouw nodig heeft, dan wordt er geen energie toegeleverd, maar teruggeleverd aan het elektriciteitsnet. De voordelen van deze teruglevering komen terug in module D. Uiteindelijk kan een optimum gevonden worden voor de toegepaste isolatie en het aantal zonnepanelen.
Het voordeel van de WLC-methode is dat de toegenomen milieulasten en -baten door hergebruikpotentie en teruggeleverde energie afzonderlijk zichtbaar zijn. Dit kan helpen bij een volledige afweging. De WLC wordt ook toegepast binnen de EU-Taxonomy, het classificatiesysteem dat duidelijk maakt welke activiteiten als duurzaam worden beschouwd. Vanaf 2028 moeten de WLC-resultaten op het energielabel worden opgenomen.
De Paris Proof Indicator (PPI) meet de kortetermijneffecten in kilogram CO₂-equivalent per vierkante meter bruto vloeroppervlak per jaar. Het beoordeelt de CO₂-impact van materialen, productie en bouwwijze, waardoor het geschikt is voor het evalueren van de huidige impact. Een voorbeeld: het gebruik van gerecycled materiaal boven nieuw materiaal toont direct winst in de PPI. Maar de PPI houdt geen rekening met de levensduur en de daaropvolgende potentie voor recycling en hergebruik. Hierdoor kan een product met een lage PPI toch slechter scoren in de MPG als het een korte levensduur of lage herbruikbaarheid heeft.
De PPI richt zich meer op kortetermijneffecten. Waar hergebruikpotentie over 75 jaar niet direct bijdraagt aan de klimaatdoelstellingen voor 2050, doet een lage PPI dat wel. De PPI biedt dus een relevante alternatieve benadering van de duurzaamheid van gebouwen naast de MPG en MEPG.
Elke methode belicht een ander facet van duurzaamheid. MEPG en MPG geven een totaalplaatje door milieu-impact in MilieuKostenIndicator (MKI) en circulariteit te combineren, terwijl WLC zich richt op CO₂-uitstoot en de potentie van recycling en hergebruik apart weergeeft. PPI is ideaal voorkortetermijnbeslissingen met betrekking tot klimaatimpact, maar zegt weinig over de lange termijn. Samen beslaan ze een brede scope: van productie-impact tot levensduur en hergebruik.
Hoewel je met deze methoden een breed inzicht krijgt in de duurzaamheid van een gebouw is het ook goed om je bewust te zijn van aspecten die hierin niet worden meegenomen. Denk bijvoorbeeld aan de klimaatadaptiviteit van een gebouw, of koolstofopslag in een gebouw.
De vier circulaire ontwerpprincipes.
Het eerste artikel van deze reeks, ‘Duurzaam materiaalgebruik in de bouw’, benadrukt het belang van de vier circulaire ontwerpprincipes die altijd bijdragen aan duurzaamheid, ongeacht het materiaal: ontwerp met zo min mogelijk materiaal, ontwerp voor maximale functionele levensduur, ontwerp voor optimaal gebruik en onderhoud, en ontwerp voor toekomstige levenscycli. Door deze principes te volgen, kunnen bouwende partijen een stevige basis leggen voor duurzame keuzes. Daarnaast biedt elke methode besproken in dít artikel eigen inzichten in duurzaamheid. Beperk je als bouwpartij dus niet tot de verplichte MPG. Combineer deze met methoden zoals MEPG, WLC en PPI voor een completer beeld, en ken hun focuspunten. Analyseer de hele levenscyclus van materialen – van productie tot sloop – en weeg zowel korte- als langetermijnimpact op een toepasbare manier mee. Voor gebouwen met een korte levensduur moet de focus misschien liggen op herbruikbaarheid. Bij gebouwen met een extra lange levensduur misschien meer op lage initiële impact. Zo maak je keuzes voor een echt toekomstbestendige bouw.
In het volgende artikel, ‘Het MPG-systeem moet beter’, bespreekt Michel Diekema, adviseur bouwfysica bij LBP|SIGHT, de uitdagingen van het huidige systeem van MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). Hij legt uit hoe duidelijke richtlijnen en transparante LCA-data kunnen zorgen voor effectievere MPG-berekeningen. Michel benoemt de knelpunten in de huidige MPG-berekeningen en biedt praktische aanbevelingen om de duurzaamheid in de bouwsector te verbeteren.